Techniek

De techniek van het Basler trommelen zit voor een belangrijk deel in de houding en slagbeweging. De trom moet ongeveer op lieshoogte hangen, de armen moeten vrij kunnen bewegen (de ellebogen van het lichaam houden) en de stokken moeten in gesloten hand worden gehouden. De slagbeweging kan in drieën worden onderverdeeld; de ‘kleine bewegung’ (vanuit de polsen), de ‘unterbewegung’ (vanuit de onderarm) en de ‘überbewegung’ (vanuit de gehele arm).

Een traditioneel muziekstuk is uit vijf verschillende soorten slagen opgebouwd; de ‘tupf’ (enkele slag), ‘schlepp’ (noot met enkele korte voorslag), ‘doublé’ (combinatie van tupf en schlepp), ‘wirbel’ (roffel) en een ‘rufe’ (roffelfiguur). Aan de hand van deze vijf verschillende slagen zijn alle ‘grundlagen’ (basisfiguren) opgebouwd. Een tamboer die deze grundlagen niet volledig beheerst zal veel moeite hebben om een traditioneel stuk uit Basel goed te kunnen spelen. De muziekstukken bestaan namelijk voor een groot deel uit een aanéénrijging van deze zogenaamde grundlagen.

Objectief gezien verschilt het Basler trommelen niet veel van andere muziekstijlen. Het kunnen slaan van de muzieknoten is voor de Basler tamboer echter geen garantie om een goede tamboer te worden. Het belangrijkste kenmerk om een muziekstuk goed te kunnen spelen is de interpretatie. Deze interpretatie zorgt voor de karakteristieke swing bij het Basler trommelen. Om deze swing te bereiken wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de ‘doublé’. Deze grundlage lijkt enigszins op de Flam Tap, één van de Amerikaanse rudiments.